Blog

Waarom ik wel?

We zijn op bezoek bij vrienden in Denemarken. Hutje- mutje verblijven we bij hen op de boerderij. Gezellig, zeker, maar ook een broedplaats voor irritaties. Mijn vriend en ik vertonen sinds dag drie ‘koude oorlog’ symptomen jegens elkaar en ik heb dagdromen waarbij ik mijn dochters als grote mama poes bij hun nekvel grijp en ze naar buiten gooi. Dat rondgehang in stinkende pyjama’s met hun niet aflatende mobiele verslaving haalt het bloed onder mijn nagels vandaan. Wanneer ik op dag vier op de rand van het bed zit met als doel om mijn sokken aan te doen, maar zonder de kracht om dit daadwerkelijk te doen, komt de realiteit als donderslag binnen. Het ligt niet aan ons gehutje- mutje, het ligt niet aan hen, het ligt aan mij.

Mijn vader schiet door mijn gedachten. Twee weken geleden zat ik naast hem in de zon in hun achtertuin. “Je gaat er nog last van krijgen,” zei hij terwijl hij strak voor zich uit keek. Dat is het mooie van mijn vader en ik. We kunnen alles tegen elkaar zeggen, zelfs als het moeilijk is voor de één of de ander. We kijken elkaar dan niet aan, zodat er ruimte overblijft om te herstellen. Ik ontweek hem: “zien we dan wel.”

Tranen stromen inmiddels over mijn wangen. Ik hoor voetstappen mijn kant op komen en kijk op. Mijn vriend en zoontje van zes komen onze kamer binnen met het ontbijt. Mijn vriend ziet mijn tranen en begrijpt direct waar deze vandaan komen. Mijn zoon blijft op afstand. “We hebben havermoutpap voor je gemaakt,” zegt hij. “Wat lief van je,” antwoord ik en ik strek mijn hand naar hem uit. Hij kruipt naast me op het bed en legt zijn gezicht tegen mijn schouder aan. “Ik ben een beetje verdrietig,” zeg ik. “Waarom dan?” vraagt hij. Ik slaak een zucht. “Ik weet niet zo goed hoe ik dat kan uitleggen.” antwoord ik. Maar ik probeer het, want ik wil niet dat hij zich zorgen maakt, of denkt dat het aan hem ligt.

“Een vriend van mij is ziek, hij heeft een ziekte in zijn hersenen, hier,” zeg ik terwijl ik zachtjes het hoofd van mijn zoon aan tik, “en die ziekte eet langzaam alles op. Nu kan hij niet meer goed zien en lopen, binnenkort kan hij niet meer ademen, dan gaat hij dood.” Mijn vriend slaat een arm om mij heen. “Soms kunnen dokters en ziekenhuizen niet meer helpen,” zegt hij, “dan kan je alleen nog maar knuffelen.” Mijn zoon lijkt het te begrijpen. “Net als mijn papa?” vraagt hij. Ik knik. Dan klaart zijn gezicht op als een blauwe hemel na een regenbui en zegt hij: “Maar als hij óók een sterretje wordt kan hij wel naar ons zwaaien!”

Zijn kinderlogica ontlokt een lach uit mij, wat weer resulteert in een glimlach op zijn gezicht. Ik voel me direct iets beter. “Laten we gaan eten,” stel ik voor.

Herinneringen aan mijn vriend komen te pas en te onpas voorbij, nu hij op sterven ligt. Vijf maanden na het overlijden van mijn liefde liepen we samen door een bos. Ik was toen nog één gebroken brok verdriet. We stopten bij een grote kei en gingen hierop zitten, we keken uit over een prachtige paarse heide. De zon prikkelde onze huid en hij pakte mijn hand vast, zomaar ineens. Ik huilde, hij zweeg. Zo zaten we een tijdje, tot we weer opstonden, toen hield hij me even stevig vast.
We wandelden een lange tijd door het bos en ik voelde me licht en dankbaar. We praatten over zijn vader, zijn muziek en begekten de mensen die ons passeerden.

Ik kan er niet tegen dat hij nu zo slecht is. Ik haat het dat hij geen kans krijgt op een leven zoals jij en ik. Ik zit volledig in de knoop.

Twee weken geleden zag ik hem nog even. “Ik denk dat dit de laatste keer is dat ik je zie,” zei ik. “Dat denk ik ook,” antwoorde hij. Een stilte volgde. We maakten wat grapjes en haalden herinneringen op tot zijn ogen zichzelf begonnen te sluiten. “Ik ga,” zei ik zacht. “Okay,” zei hij, “dan ga ik even slapen.” Ik kroop naar hem toe en omhelsde hem. Een paar seconden hielden we elkaar vast, onze gehele vriendschap zat in die seconden verstopt. Met een glimlach vertrok ik, in de auto onderweg naar huis brak ik.

Meerdere keren per dag check ik mijn telefoon op updates, hoe het met hem gaat, of hij er nog is. Ik droom over hem. Ik ben sloom en geprikkeld, mijn vader heeft gelijk, ik heb het er moeilijk mee. “we zien wel,” zei ik.

Morgen gaan we naar Legoland.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *