Blog

Één moment

We zaten met zijn allen om de tafel. De sfeer was geladen. Het was één van de meest indrukwekkende momenten van mijn leven, het was het moment waarop we als toekomstige nabestaanden samen het einde bespraken. Alle schade die we elkaar de afgelopen weken hadden berokkent, schoven we aan de kant want er moesten keuzes gemaakt worden. Wat dat betreft had de behandelend arts gelijk gehad: mijn schoonfamilie en ik mochten dan wel niet op één lijn liggen, ik zou ze nodig hebben. En dat bleek, dat blijkt nog steeds.

De plastic tafel in een overbelicht ziekenhuis-kantinezaaltje maakte de sfeer nog droeviger. Ik was ongelofelijk nerveus. Als ik terug kijk op die dag voel ik me fragiel en kwetsbaar, als een zeilbootje dat gedwongen een stormgebied invaart. Mijn schoonmoeder vertelde dat hij was gewogen, negenveertig kilo woog hij nu. Ik schrok en begon te huilen terwijl ik mezelf van binnen vervloekte om mijn zwakke gedrag. Janken binnen vijf minuten, god nog aan toe. Ik ontving echter blikken van liefde en een arm om me heen en voor het eerst in weken, misschien wel maanden voelde ik me niet meer zo verdomd alleen. De knop was eindelijk om bij iedereen. Vluchten kon niet meer. Hij zou sterven en hij zou sterven op korte termijn, de vraag was nu hoe? En dit groepje mensen, tot op het bot geraakt met verdriet en verlies, mocht invulling geven op deze vraag.

‘Euthanasie?’ vroegen we aan het team van artsen. Dit was niet mogelijk, de heer had nooit een euthanasieverklaring opgesteld tijdens zijn leven en nu.. Ja nu.. Nu lag in hij een coma, een ‘unarousable unresponsiveness.’ Twee woorden die het hele verhaal vertellen. Hij is er wel, maar hij is er niet, hij is een schim.

‘Palliatieve sedatie dan?’ Ja dit kon. Ze zouden dezelfde middag nog stoppen met de sondevoeding en hem verplaatsen naar een één persoonskamer. Wij zouden een familiekamer ter beschikking krijgen zodat we bij hem konden waken. De volgende dag zou het infuus stoppen. ‘Zou er ook een bed naast zijn bed geplaatst kunnen worden, zodat iemand bij hem op de kamer kan slapen?’ Ja, zelfs dit kon geregeld worden. Roosters werden gemaakt en bij het afscheid omhelsden we elkaar stevig.

Dagen vol liefde volgden. Meer vrienden dan ik wist dat hij had kwamen afscheid nemen van hem, ook al sliep hij non- stop. Vele schrokken als ze hem zagen en stortten in, ze leken bijna onvoorbereid dacht ik verbaasd, maar anderzijds wist ik dat er hiervoor geen voorbereiding bestond. Wij hadden het proces meegemaakt aan zijn bed, velen van hen hadden hem al maanden niet gezien. Wij troostten hen, het familieteam dat dag en nacht paraat stond. Thee werd gedronken, films bekeken, herinneringen gedeeld. De kerstboom stond om de deur te sprankelen in al haar kitscherige glitterpracht.

Op één nacht lag ik in het bed naast hem. Het was doodstil in het ziekenhuis. Ik twijfelde of hij nog leefde. Ik stapte uit bed en liep naar hem toe, legde voorzichtig mijn vingers in zijn nek. Warmte. Opluchting. “Als je er nog bent, laat je het me weten?” vroeg ik naïef. Niks dan stilte. Ik kroop weer in mijn bed en keek naar hem alsof hij een vreemde was. Ik miste hem, de échte hem.

Op dag vier was hij jarig, we aten taart.

Op dag vijf ademde hij nog één laatste maal en zweef weg als een ballon de lucht in. De schim die over hem hing verdween in een fractie van een seconde. Rauw verdriet en een oprechte verbazing over de schoonheid van het moment nam ons over. We omhelsden, we huilden, we waren aan het einde van onze maandenlange reis.

Dankzij dat moment in de kantine van het ziekenhuis en alle momenten die hieruit voortvloeiden heb ik me staande kunnen houden en heb ik met mijn fragiele zeilbootje de overkant van de Atlantische Oceaan bereikt.

En hij? Hij is vrij.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *