Blog

Another day at the office

Terwijl ik de heerlijke maar veel te heet opgewarmde hutspot aan het weg lepelen ben in de vijftien minuten die ik heb gepikt tussen mijn werkzaamheden door, komt mijn collega de personeelskamer binnen. “Volgens mij is de schoonmaak er niet, er zijn nog heel veel bedden onopgemaakt.” Ik eet beleefd mijn mond leeg en zeg: “Ze zijn vast bezig op een andere afdeling, ze zullen zo wel komen.” Zo, probleem opgelost. Ik maak me nooit zo druk. “Ik ga toch even bellen,” zegt mijn collega en ze loopt weg.

Het is vijf voor zes. Om zes uur heb ik afgesproken met een patiënt dat ik het drukverband in haar lies zal verwijderen, waarna ze nog vijfenveertig minuten rondjes mag wandelen over de afdeling om te observeren of het wondje nog een nabloeding geeft. Daarna mag ze naar huis, dus ze telt de minuten af. Twee andere patiënten wachten op hun familieleden om naar huis te gaan, ik moet ze nog wel de leefregels meegeven en toelichten. En één patiënt verwacht ik terug van de OK afdeling, ik zal hier ongetwijfeld op korte termijn over gebeld worden door de recovery. Ik lepel nog iets sneller door ook al staat mijn gehemelte inmiddels in brand.

Om exact zes uur sta ik aan het bed van mijn eerste patiënt (ik geloof heilig in afspraken nakomen) om haar drukverband te verwijderen. Dit doet pijn, ze schreeuwt, ik neem het haar niet kwalijk. Ze hebben het drukverband in haar lies geplaatst waardoor de pleister over een gedeelte van haar schaamlip zit, het verwijderen hiervan is een soort van medische Brazillian wax. “Nu is het klaar,” zeg ik om haar gerust te stellen. Ik laat haar achter zodat ze zich kan aankleden, terwijl ik naar mijn volgende patiënt loop, haar man is inmiddels gearriveerd.

Ik geef hem een hand en stel mijzelf voor. Het is een nutteloze actie want mijn naam is volledig irrelevant, maar het is beleefd. Ik kijk voor een laatste keer naar mevrouw haar wond, deze ziet er rustig uit, de huid eromheen is soepel, er is geen sprake van een zwelling of verharding, haar voet is warm en de pulsatie is voelbaar, dus de circulatie verloopt goed. Ik meet nog eenmaal de bloeddruk en hartfrequentie van mevrouw en ook deze zijn goed. “U bent een model patiënt,” zeg ik bij wijze van grapje. Ze lacht beleefd. Ik geef haar de leefregels en licht deze toe, hierna vraag ik aan beiden of ze nog vragen hebben? “Nee hoor, dank u wel.” Ik geef ze een hand en wens ze sterkte. Ik zwaai ze uit terwijl hij haar in een rolstoel de zaal afrolt. “Daaaáaag.” Oude mensen zijn zo netjes.

Uitgeteld ligt mijn patiënt op bed, aangekleed. “Poeh,” zegt ze, “ik word er nog wel duizelig van.” Ik glimlach geruststellend naar haar want ik ben al vlot tot de conclusie gekomen dat zij vooral geruststelling nodig heeft. “Dat mag,” zeg ik, “je lichaam heeft werk geleverd vandaag, daar mag het een beetje van slag van zijn, dat is morgen wel weer voorbij.” Ik open haar gordijnen en besluit nog even te wachten met het wandelen. Ik schuif achter mijn computer om de patiënt die net naar huis is gegaan te ontslaan uit het systeem als manlief plus twee tieners de zaal op komen lopen. Perfect, denk ik. Ze begroeten elkaar en mijn patiënt knapt zienderogen op. Ik grijp mijn kans. “We wilden net een stukje gaan wandelen over de afdeling,” zeg ik, terwijl ik mijn arm ter ondersteuning aanbied. Gewillig accepteert ze deze en binnen vijf minuten zijn we weer terug bij haar bed. “Over een half uur kom ik weer en dan kijken we samen nog eenmaal naar de wond, daarna mag je naar huis.” “Yes!” schreeuwt ze.

Ik loop de gang op en zie mijn collega met de patiënt waar ik op wachtte aan komen rijden over de gang, terug van OK. Ik help haar het bed in te rijden op de kamer en stel me voor aan de patiënt. Ze is moe, dat zie ik direct. Haar man loopt als een eendje achter het bed aan, hij weet zich geen houding te geven en lijkt wat onrustig. Ik vraag me af wat het verhaal is, maar besluit om me terug te trekken, mijn collega regelt wat thee voor mevrouw en haar man, waarna mevrouw nog even wil slapen. We laten ze met rust.

De dochter van mijn derde patiënt is inmiddels gearriveerd. Mijn derde patiënt is geopereerd aan haar stembanden, ze mag een week niet praten. Als een hints spel communiceren we met elkaar. “Koud. IJsje. Pijn.” We zijn een goed team. Aan haar en haar dochter licht ik de leefregels toe, hierna vraag ik of ze nog vragen heeft? Ze schrijft met een pen op een papier: “Operatie goed gegaan?” Dat is een lastige vraag voor me om goed te beantwoorden, ik ben immers geen dokter. Ik loop weer naar mijn computer en zoek haar OK- verslag op. Deze is voornamelijk in het Latijn geschreven, maar wat er uit te halen valt voor een leek, ik dus, is dat de stembanden beiderzijds zijn geholpen. Ik laat haar het verslag ook lezen, het stelt haar gerust. Ze geeft me een hand en kijkt me dankbaar aan, dat doet me goed. Ik geef haar dochter een hand en zwaai ook hen uit terwijl ze weer op weg naar huis gaan.

Wederom loop ik terug naar mijn eerste patiënt. Ook haar wond, bloeddruk en hartfrequentie keur ik goed. Ze heeft een lage bloeddruk van haarzelf, waardoor ze vaak wat duizelig is, verteld ze. “Soms helpt het om zoute dropjes te eten,” zeg ik. Haar man gaat naar de hoofdingang van het ziekenhuis om daar een rolstoel op te halen én zoute dropjes. Wat een vent. Ik loop met ze mee naar de voorste balie van onze afdeling en zwaai ze uit, vermoeid val ik vervolgens in een stoel achter de balie, naast mijn collega. Het is voor ons beiden de eerste dag na onze zomervakantie. “Bwoh,” merk ik intelligent op. “Mmmm,” antwoord zij.

Fatima van de schoonmaak komt de afdeling op. “Ik had vrij gevraagd,” zegt ze, “maar nu belden ze mij thuis op: waar ben jij? Ik zeg: ik ben thuis. Nee, zeiden zij, jij moet werken.” Haar manager had haar toch ingedeeld. En zij was nu plotsklaps op haar vrije avond naar het ziekenhuis gekomen om twintig bedden op te maken. Respect, ik had het niet gedaan. Aangezien mijn laatst overgebleven patiënt nog slaapt, besluit ik haar te helpen.

Fatima is een vrij forse vrouw van Marokkaanse afkomst met een heel lief gezicht en prachtig zwart krullend haar. Ze lacht naar iedereen, de hele dag door, ik vind haar geweldig. Maar Fatima is een absolute bulldozer als het op werk aankomt. Binnen vijf minuten heeft ze het zweet op haar lippen staan en binnen tien minuten voel ik het zweet langs mijn rug lopen. “Rustig aan Fatima,” probeer ik, “kan ik niet,” zegt zij. Binnen een uur hebben we alle bedden gedaan en gaat ze weer naar huis. “Ik hoop dat jij heel veel verdient want dit is echt zwaar werk,” zeg ik tegen haar voordat ze gaat. Ze glimlacht lief naar me, we weten allebei dat dit niet het geval is, maar ik wil haar waardering geven voor wat ze doet. De schoonmaak mag blij met haar zijn.

Ik loop naar mijn laatste patiënt. Al zorgende en pratende kom ik achter het verhaal. Ze waren samen naar de huisarts gegaan in verband met vlekken op zijn rug. “Ouderdomsvlekken,” had de huisarts geconcludeerd. Ter vergelijking had ze ook naar de rug van mevrouw gekeken. “Kijk, ook ouderdomsvlekken.” Maar op de bovenarm van mevrouw had de huisarts een vlek gezien die haar wel verontrustte. Ze had een hapje van de moedervlek genomen, deze bleek kwaadaardig. Mevrouw werd doorgestuurd naar de dermatologie en vervolgens ingepland om de melanoom te laten verwijderen. Dit alles gebeurde in een tijdsbestek van drie weken. Ze hebben ook de eerste klier die in verband stond met het melanoom weggehaald om te kijken of de kanker al een volgende bushalte heeft bereikt, hiervan krijgen ze de volgende week de uitslag. Terwijl ze het verteld krijgt mevrouw tranen in haar ogen: “maar het gekke is, ik voel me helemaal niet ziek, dat vind ik zo raar en beangstigend.” Ook haar probeer ik gerust te stellen. “Laten we geen kippen slachten als de vos nog niet gezien is.” Geen idee wat ik zeg, maar het klinkt filosofisch. “En,” voeg ik daaraan toe, “als er niks te vinden is in de klier, verdient die huisarts van u wel een bloemetje!” Hier wordt hevig op geknikt, “zeker weten,” beamen ze allebei.

Aan het einde van de avond, als ik ook hen heb uitgezwaaid, ben ik hevig vermoeid. Ik verlang naar mijn bank en thee. Mijn collega en ik sluiten de afdeling af en lopen de lange gang over richting de kleedkamers. “Het is toch bijzonder hé, hoe je iemand ontmoet en er zich dan gaandeweg de dag een soort van band ontwikkeld?” “Mmmm,” antwoord mijn collega glimlachend. Ook zij heeft een kopje thee nodig.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *